We hebben een meningsverschil met de bestuurder over de hoogte van het budget van de cliëntenraad. Om goed te functioneren hebben we meer geld nodig dan de bestuurder wil geven. Hebben we hier instemmingsrecht over?

In de Wmcz 2018 staat bij artikel 6.3 dat de kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn voor de vervulling van de werkzaamheden van de cliëntenraad ten laste komen van de instelling. Hoe dit precies vorm krijgt, dient nader te worden afgesproken. Dit kan bijvoorbeeld in de  medezeggenschapsregeling beschreven worden, deze regeling valt onder het instemmingsrecht. De cliëntenraad en zorgaanbieder kunnen aanvullende afspraken maken over de kosten; bijvoorbeeld door een jaarlijks budget af te spreken.

Aan het afspreken van een budget zit voor de cliëntenraad een risico. Blijkt het budget te laag te zijn, dan komen de kosten die niet uit het budget betaald kunnen worden alleen voor rekening van de zorgaanbieder als deze daarin toestemt. Het staat de zorgaanbieder vrij om dat niet te doen. In dat geval is geen beroep op de Landelijke Commissie van Vertrouwenslieden (LCvV) mogelijk.

Een oplossing is om een budget af te spreken wat alleen bestemd is voor bijvoorbeeld reiskosten en scholing. Voor overige kosten is niet immers niet altijd te overzien of die kosten ook daadwerkelijk gemaakt gaan worden.

Als er een meningsgeschil ontstaat over wat redelijkerwijs nodig is voor het uitvoeren van werkzaamheden, of de uitvoering van de medezeggenschapsregeling verloopt niet goed, kan de LCvV gevraagd worden te bemiddelen of een uitspraak te doen. De LCvV keek bij een eerdere casus vooral vooral naar de redelijkheid in de onderbouwing van de cliëntenraad voor het gevraagde bedrag en naar de onderbouwing van de zorgaanbieder waarom hij het bedrag te hoog vond.

Delen op social media